De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 vervallen en opgegaan in de Omgevingswet, met uitwerking in de Omgevingswet zelf (hoofdstuk 8), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit.

  1. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) is sinds februari 2026 verantwoordelijk voor natuurbeleid. Er is geen aparte Rijksnatuurvisie meer: de nationale natuurambitie staat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die wordt opgevolgd door de Nota Ruimte (augustus 2026 nog niet definitief vastgesteld, dus dit kan inmiddels zijn veranderd). Daarnaast werkt LVVN aan een apart Natuurplan, dat Nederland op grond van de EU-Natuurherstelverordening voor 1 september 2027 definitief bij de Europese Commissie moet indienen. De landelijke regels voor faunabeheer staan niet meer in een Besluit natuurbescherming, maar in de Omgevingswet zelf, hoofdstuk 8 (Aanvullende regels populatiebeheer, schadebestrijding en jacht, art. 8.1 e.v.), aangevuld met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), hoofdstuk 11, afdeling 11.2: flora- en fauna-activiteiten, instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en procedureregels (art. 6.2-6.4) in het Omgevingsbesluit.
  2. In iedere provincie legt Gedeputeerde Staten (GS) het natuurbeleid vast als integraal onderdeel van de verplichte provinciale Omgevingsvisie. Provincie Groningen heeft haar nieuwe Omgevingsvisie ‘Dit wordt Groningen’ op 27 mei 2026 door Provinciale Staten (PS) laten vaststellen, met natuur, landbouw en water als onderdeel van één afweging. De vroegere Verordening natuurbescherming is opgegaan in de provinciale Omgevingsverordening (in Groningen zijn de faunabeheerregels ondergebracht in hoofdstuk 7), die GS voorbereidt op basis van artikel 8.1 Omgevingswet en de instructieregels voor gebiedsbescherming (zoals het Natuurnetwerk Nederland) uit het Bkl, en die PS vaststelt. GS vaardigt vervolgens vrijstellingen uit en verleent omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteiten (de opvolger van de ontheffing), aanwijzingen en opdrachten. De uitvoering daarvan belegt de provincie bij een provinciale stichting, de Faunabeheereenheid.
  3. De Faunabeheereenheid (FBE) bestaat uit jachthouders en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties voor duurzaam beheer van in het wild levende dieren. De FBE stelt in samenspraak met betrokkenen een faunabeheerplan op, dat op grond van artikel 8.1 Omgevingswet en de artikelen 6.2 tot en met 6.4 van het Omgevingsbesluit de goedkeuring van GS behoeft (zie het recente voorbeeld: Faunabeheerplan Groningen 2024-2029). Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en jacht; artikel 4.31, tweede lid, Omgevingswet verplicht om bij alle drie deze activiteiten volgens het goedgekeurde plan te handelen. Op basis daarvan verleent de Faunabeheereenheid machtigingen en toestemmingen aan grondgebruikers, terreinbeherende organisaties (TBO’s) en jachthouders. De jachthouders met een jachtgeweeractiviteit (de opvolger van de jachtakte) zijn georganiseerd in lokale Wildbeheereenheden.
  4. Elke Wildbeheereenheid (WBE) is een onafhankelijke vereniging, die alleen uitvoering mag geven aan het faunabeheerplan als zij door de provincie is erkend. De werkzaamheden worden uitgevoerd door de aangesloten leden, veelal jagers, en de WBE’s moeten volgens de rijksregels bij de voorbereiding van het faunabeheerplan worden gehoord. Zij worden daarbij ondersteund door hun vak- en belangenorganisaties, de Jagersvereniging (KNJV), de Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) en de Vereniging Het Ree (VHR).

Foto Bert Daems